Google-Translate-English Google-Translate-Dutch to French Google-Translate-Dutch to German Google-Translate-Dutch to Italian Google-Translate-Dutch to Spanish

Explosieveilig

Veiligheid voorop.
Explosieveilige lampen behoren ATEX gecertificeerd te zijn, ontworpen, geproduceerd en gecertificeerd binnen de Europese Unie.

Certificeringscode uitgelegd. 
CE: Het armatuur voldoet aan alle door de EU gestelde kwaliteitseisen.
Ex: Explosieveilig.
G, D of GD: Geschikt bij gasontploffingsgevaar (G) of stofontploffingsgevaar (D) of beide gevaarszones (GD).
De romeinse twee is een aanduiding voor niet-mijnen product.
EEx: Voldoet aan de laatste Europese eisen.
IIA, IIB of IIC: Gasgroep: IIA heeft het kleinste risico op ontvlamming , IIC het grootst.
T1 t/m T6: Temperatuurclassificatie: T1 is de hoogste temperatuur en T6 het laagste.

1. Dichting.
De zogenaamde IP-waarde (Engels: Ingress Protection) is een aanduiding voor de mate van beveiliging tegen stoffen van buiten. De index heeft twee cijfers: het eerste geeft de bescherming tegen vaste stoffen aan, met een cijfer tussen 0 (geen bescherming of open) en 6 (geheel stofdicht). Het tweede is de bescherming tegen vloeistoffen, met een cijfer tussen 0 (geen bescherming) en 7 (waterdicht, ook bij langere onderdompeling).

ATEX gecertificeerd materiaal heeft minstens een waarde van IP54.

2. Categorie.
De volgende categorieen worden gebruikt.
G wordt gebruikt als aanduiding voor materiaal geschikt bij gasexplosiegevaar, D voor bij stofexplosiegevaar. Verder geeft het cijfer de geschiktheid voor de zones aan, volgens onderstaande tabel:

Voor gas:
Categorie 1: voor zone 0, aanduiding II 1 G
Categorie 2: voor zone 1, aanduiding II 2 G
Categorie 3: voor zone 2, aanduiding II 3 G

Voor stof:
Categorie 1: voor zone 20, aanduiding II 1 D
Categorie 2: voor zone 21, aanduiding II 2 D
Categorie 3: voor zone 22, aanduiding II 3 D

Deze Romeinse 2 (II) geeft aan, zie boven, dat het materiaal betreft dat niet voor in de mijnen maar voor boven de grond is bedoeld. Wij hebben geen materiaal voor gebruik onder de grond (Romeinse 1, I).


3. De Zones.
De ATEX zone indeling heeft te maken met de kans (frequentie) op gevaar.
Samenvattend:

Explosiegevaar

Gas

Stof

Vrijwel permanent

0

20

Vaak

1

21

Niet vaak, kortstondig

2

22

4. Beschermingswijze.
Er zijn vele (erkende/goedgekeurde) constructiemethodes om te voorkomen dat gebruikt materiaal explosies kunnen veroorzaken. De belangrijkste constructiewijzen zijn, met name in verlichting de volgende:

EEX d (drukvast omhulsel)
Een drukvast omhulsel zal bij een optredend defect in het apparaat met als mogelijk gevolg explosiegevaar voorkomen dat de explosie zich buiten het apparaat voortplant.

EEx e (verhoogde veiligheid)
Materiaal, gebruikt bij deze beschermingswijze, wordt zelfs bij een defect geacht geen gevaar te vormen. Vaak wordt deze constructiewijze bij verlichting gebruikt in combinatie met een tweede bescherming, zoals m waarbij de electrische componenten ingegoten zijn in een beschermende massa. De aanduiding is dan em.

EEx i (intrinsieke veiligheid)
De stroom en de spanning zijn begrensd en beschermen zodoende tegen gevaar bij het optreden van een defect.

EEx ia materiaal mag geen gevaar geven, zelfs bij het optreden van een combinatie van twee defecten.

EEx ib materiaal mag geen gevaar geven bij het optreden van één defect

5. Gasgroepen
EEx d materiaal wordt verder onderverdeeld in subgroepen of gasgroepen. Deze worden aangeduid met I, IIA, IIB, IIC waarbij IIC het hoogste, meest veilige niveau is.

Deze indeling wordt (nog) niet toegepast bij EEX e materiaal.

6. Temperatuurklasse.
De temperatuurklasse geeft de maximumtemperatuur aan het oppervlakte van het materiaal aan, in een codering tussen T1 en T6, waarbij T6 de laagste en veiligste en T1 de hoogste temperatuur is. Voor de grenswaarden, zie hieronder de tabel:

T6:   85 °C
T5: 100 °C
T4: 135 °C
T3: 200 °C
T2: 300 °C
T1: 450 °C

7. End of Life.
Een nieuwe eis  is de End of life switching off system die bepaalt dat de ballasten (voorschakelapparaten) de fluorescentiebuis af moeten schakelen voordat deze door een defect of aan het eind van zijn levensduur een te hoge en gevaarlijke temperatuur kan ontwikkelen.

8. Normen.
Hieronder volgt een overzicht van normen die van toepassing kunnen zijn op onze produkten. Dit is dus geen volledige lijst van alle normen.

EN 50014 Algemene eisen voor elektrisch materieel voor plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen. Deze wordt in 2008 vervangen door EN60079-0.

EN 50018 Elektrisch materieel voor bij ontploffingsgevaar en constructiewijze met drukvast omhulsel type d. Deze wordt in 2008 vervangen door EN60079-1.

EN 50019 Elektrisch materieel voor bij ontploffingsgevaar constructiewijze verhoogde veiligheid e. Deze wordt in 2008 vervangen door EN60079-7.

EN 50020 Elektrisch materieel voor bij ontploffingsgevaar, intrinsieke veiligheid i. Deze wordt in 2009 vervangen door EN60079-11.

EN 50028 Elektrisch materieel voor bij ontploffingsgevaar, met ingieten in gietmassa m. Deze wordt in 2008 vervangen door EN60079-18.

EN 50082-1 en EN 55015 EMC (Norm m.b.t. de Electromagnetische Compatibiliteit).

EN 50281-1-1 Elektrische toestellen voor gebruik in de aanwezigheid van ontbrandbaar stoffen.

EN-IEC 60598: Algemene norm. Bijvoorbeeld IEC 60598-2-8 is de norm gerelateerd aan looplampen.

EU Richtlijn 2002/95/EG RoHS Betreffende de beperking van het gebruik van de volgende gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur: kwik, lood, cadmium, chroom 6, polybroombifenylen en polybroomdifenylethers.  RoHS staat voor: Restriction of the use of certain Hazardous Substances in electrical and electronic equipment.

Disclaimer.
LET OP: Bovenstaande informatie is slechts basisinformatie voor u als uitgangspunt. Voor meer gedetailleerde en uptodate informatie, gelieve de relevante autoriteiten, juiste instanties of uw veiligheidsambtenaar te contacteren. Wij sluiten elke verantwoordelijkheid betreffende de inhoud van dit document of van deze website uit.